Goede raad bleek letterlijk duur. Ik naar een boer in Saint–Vincent-de-Durfort om hout te kopen. Nu vond ik een staire (plaatselijk maat) hout wel erg prijzig. Dus met de boer gesocialised over onze gemeenschappelijk roots: zijn Franse boerenfamilie en mijn Nederlandse boerenfamilie. Ontroerende gesprekken; het voelde als vriendschap voor eeuwig. Hierbij paste toch wel een nette prijs. Daarom na ruim een uur lang maar eens gevraagd om een lagere prijs, waarop hij zei dat ik rijk was en hij het hout toch wel zou kwijtraken. Heb toen maar zonder blikken of blozen de vastgestelde prijs betaald en ben vertrokken met de auto vol hout. Dit jaar opnieuw hout gehaald bij die boer. Inflatie van de prijs van brandhout ligt hier zorgwekkend hoog. Heb in zoverre enige wraak genomen dat de boer dit jaar zonder relevante kosten (een biertje) het hout heeft bezorgd.
C’est la nature
John Merriman schreef in 2002 The stones of Balazuc, in 2003 in het Nederlands
vertaald als De stenen van Balazuc. Hij gaat uitgebreid in op de gulden boom, de
broodboom en de wijnbouw. Met de gulden boom (arbre d’or) wordt gedoeld op de
moerbeiboom; met de broodboom de châtaigniers: de tamme kastanjes waren het
voedsel voor de armen. Vanwege de grote armoede in de Ardèche werd gestart met
zijdeproductie. Dit leidde tot een periode van ± 30 jaar van welstand. De
zijderupsen werden gevoederd met bladeren van de moerbeiboom. De rupsenziekte
pébrine manifesteerde zich in 1849 met als gevolg de instorting van de
zijdeproductie. De wijngaarden werden in 1851 aangetast door de oidium (echte
meeldauw) waarna in 1879 de drijfluis (phylloxera) volgde. Dit was een fatale
klap voor de locale wijnoogst. Tenslotte tastte in 1875 de inktziekte (encre) de
châtaigniers aan. Het zit de Ardéchois dus niet mee. Nu werden er in ons huis
ook zijderupsen gehouden. Bij ons huis staat een tiental moerbeibomen in de vorm
van een knotwilg. Omdat de stammen oud en enigszins hol zijn, moeten ze elke
twee jaar worden gesnoeid. Dit om te voorkomen dat de bomen bij een grote storm
zouden omwaaien. De eerste jaren deden Tineke en ik dat samen. Het was noeste
arbeid, want het is niet alleen alle takken afzagen, maar daarna alle takken
wegslepen naar een takkenstapel. ’s-Avonds dus dikke voeten met pijnlijke rug en
kon niet meer lopen, zitten of staan. Dit jaar doe ik het samen met de man die
ons gras komt maaien. We zijn ‘dus’ in twee uur klaar. Er staan thans tien
kaalgeschoren ‘worstjes’ in het landschap. Probleem is thans dat de stammen van
onze moerbomen wel erg hol worden. Nu vond ik vroeger het woord boomchirurg niet
direct deel uitmaken van mijn vocabulaire. De tuinman deelde mij desgevraagd mee
dat Edouard Chanel (zie zijn verhaal op onze website) alles wist over
bomenziekte. Ik wandelend naar Chanal om toch maar te vragen wat te doen met de
stammen. Het gaat tenslotte niet om niets: het gaat om de instandhouding van het
Franse cultuurlandschap en het behoud van de agrarische band van alle volgende
generaties Holtman met dit huis. Dat mag eigenlijk wel wat kosten. Alleen een
krent doet moeilijk. Chanal snapt dit kennelijk niet want hij gaat wel erg kort
door de bocht. De bomen zijn ruim meer dan 100 jaar oud en gaan daarom gewoon
dood. Niks culture; c’est la nature.
Oogstfeest ‘07
In oktober oogst elke boer, zo ook ik (dacht ik). De beide notenbomen waren bij
aankomt echter al helemaal leeg gegeten. Er onder ligt nog één aangepikte en
leeggegeten walnoot. Toch leuk om te zien dat de noten ‘best wel’ aardige
afmetingen hadden. Zal het daar dit jaar mee moeten doen; we moeten volgend jaar
dus hier eerder zijn. De appels doen het zorgwekkend goed; idem druiven. Gevoel
van tevredenheid, maar wat moeten we er nu mee? Morgen gaan we dan maar
overheerlijke druivenjam maken in de kleuren wit en rood met een voorraadje
appelmoes. Toch best wel een spannend bestaan hier dus.